Een celfabriek in Korea, een fabrikant van accupakketten in Shenzhen en een importeur in Hamburg hebben op het eerste gezicht weinig gemeen. Zodra hun goederen de EU-markt bereiken, gelden voor hen echter dezelfde regels. Waarom reikt een in Brussel vastgestelde verordening tot in een fabriek in Guangdong?
Het antwoord luidt: het Brussel-effect. Wie producten vervaardigt die in Europa worden verkocht, moet dit effect begrijpen, want het bepaalt wie het digitale productpaspoort nodig heeft en voor wie de batterijpaspoortverplichting vanaf 2027 geldt - en dat zijn veel meer bedrijven dan alleen die welke in de EU zijn gevestigd.
Wat het Brussel-effect is
De term is afkomstig van de rechtswetenschapper Anu Bradford. De observatie erachter is eenvoudig: de interne markt van de EU is groot en heeft een sterke koopkracht, en de toegang ertoe is aan strenge regels gebonden. Wie daar wil verkopen, past zich daaraan aan. Omdat dat voor genoeg bedrijven de moeite waard is, wordt de Europese norm feitelijk een wereldwijde norm - ook daar waar geen lokale wetgeving dit voorschrijft.
Bepalend is het hefboomeffect van de markttoegang: niet de EU dwingt een fabrikant in Azië tot iets, maar de wens om naar Europa te kunnen blijven leveren. Een analyse van het Europees Parlement beschrijft dit patroon in tal van regelgevingsgebieden.
De verplichting hangt af van de markt, niet van de vestigingsplaats
Het digitale productpaspoort volgt precies deze logica. De EU-batterijverordening 2023/1542 koppelt de verplichting tot het aanleggen van een batterijpas aan het in de handel brengen in de EU, niet aan de productielocatie. Zodra een batterij de Europese markt bereikt, moet deze vanaf 18 februari 2027 voorzien zijn van een via een QR-code opvraagbare batterijpas - ongeacht of de cel in Korea, het batterijpakket in China of het eindapparaat in Duitsland is vervaardigd.
Daarmee is een fabrikant buiten de EU verplicht om aan de regels te voldoen zodra zijn product de grens overschrijdt. De productielocatie biedt geen bescherming tegen de Europese regelgeving; deze verschuift de verplichting slechts één stap in de toeleveringsketen.
Waarom één conforme productielijn goedkoper is dan meerdere
Theoretisch zou een fabrikant een EU-variant kunnen produceren en daarnaast goedkopere, minder gereguleerde varianten voor andere markten. In de praktijk loont dat zelden. Twee productielijnen, twee datasets, twee testprocessen kosten meer dan één enkele productielijn die overal voldoet. Daarom richten veel fabrikanten hun gehele productie af op de strengste markt - en dat is meestal de EU.
Zo wordt een Europese verordening een wereldwijde norm, zonder dat een ander land deze hoeft over te nemen. Deskundigen noemen dit het feitelijke Brussel-effect. Daarnaast is er het juridische effect: wanneer andere regeringen EU-regels omzetten in eigen wetgeving. Bij het productpaspoort tekenen zich beide af.
Het patroon herhaalt zich
Het productpaspoort is geen op zichzelf staand geval, maar de meest recente uitvloeisel van een bekend patroon. De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) heeft wereldwijd zijn stempel gedrukt op toestemmingsbanners en privacyverklaringen. De CE-markering en de REACH-verordening bepalen hoe producten überhaupt worden vervaardigd en gedeclareerd. De CO₂-grensaanpassing (CBAM) trekt nu dezelfde cirkel rond de uitstoot van geïmporteerde goederen.
En de beweging reikt verder dan Europa: DPP-achtige voorschriften ontstaan onder andere in Californië, Japan en Zuid-Korea. Wie vandaag klaar is voor het EU-paspoort, heeft de basis voor de volgende golf al gelegd.
Wat dit betekent voor het batterijpaspoort
Uit het Brussel-effect volgt een ongemakkelijke waarheid voor de toeleveringsketen: de verplichting kan niet zomaar worden afgeschoven. Juridisch gezien is weliswaar de marktdeelnemer verantwoordelijk die de batterij in de EU in de handel brengt - doorgaans de importeur of een gevolmachtigde vertegenwoordiger. De brongegevens (CO₂-voetafdruk, recyclingpercentages, zorgvuldigheidsplicht, herkomst van de cellen) liggen echter verplicht bij de fabrikant.
De fabrikant buiten de EU levert dus ofwel de conforme gegevens aan, ofwel wijst hij een vertegenwoordiger aan die deze voor hem bij de hand houdt; zonder een conform batterijpasje is er geen toegang tot de EU-markt. Beide wegen leiden via dezelfde productdataset. Hoe deze ene dataset zo kan worden opgebouwd dat hij zowel de EU als China bedient, wordt behandeld in het artikel „Eén dataset, twee regelgevingen“; de termijnen van de eerste fase worden vastgelegd in het ESPR-tijdschema 2027.
Een voorschrift creëert een markt, geen vanzelflopend proces
Ondanks de enorme impact van het ‘Brussel-effect’ geldt één beperking: een voorschrift creëert een markt, maar nog geen kant-en-klare oplossing. Het voorschrift zegt dat er een pas nodig is, niet hoe een fabrikant die zonder maandenlange projecten kan opstellen. Precies hier ligt de eigenlijke uitdaging.
Het pragmatische antwoord is om in een vroeg stadium één enkele, overzichtelijke gegevensstructuur op te zetten - een structuur die voldoet aan de eisen van het EU-paspoort, op elk moment kan worden geëxporteerd en niet gebonden is aan een bepaalde aanbieder. Wie zijn productgegevens nu op orde brengt, in plaats van te wachten tot de uiterste deadline, heeft het paspoort klaar zodra de markt erom vraagt. Het Brussel-effect zorgt ervoor dat dit moment komt; de voorbereiding blijft een eigen keuze.
