Bouwproducten zonder GTIN: hoe het DPP toch werkt

Bouwproducten zonder GTIN: hoe het DPP toch werkt

Cement, bakstenen, stalen balken - de bouwsector kent veel producten zonder klassieke handelsidentificatie. Wij laten zien hoe het kan met batch-ID’s.

De bouwsector leeft in een eigen wereld als het gaat om productidentificatie. Een Ford Fiesta heeft een FIN, een verpakking ibuprofen heeft een PZN, een fles olijfolie heeft een GTIN. Een zak portlandcement? Een partijnummer dat de arbeider met een watervaste stift op de zak schrijft.

Als de DPP overal wordt ingevoerd, staat de bouwsector voor een specifieke vraag: hoe identificeer je producten eenduidig en duurzaam die van oudsher niet afzonderlijk werden geïdentificeerd?

Waarom GTIN’s in de bouwsector niet werken

De GTIN (Global Trade Item Number) is een handelsidentificatie. Deze benoemt een artikel zoals het in de handel wordt aangeboden. Bij bouwproducten werkt dit op verschillende punten niet:

  • Bulkgoederen zoals cement, zand en grind worden per ton per vrachtwagen geleverd. Geen individueel „artikel“.
  • Op maat gemaakte producten zoals stalen balken worden volgens de specificaties van de klant vervaardigd. Elke balk is in principe uniek.
  • Producten op basis van partijen, zoals mortel of beton, hebben per partij (dagproductie) verschillende eigenschappen.
  • Systeemonderdelen zoals ramen of deuren zijn configureerbaar - elke bestelling is anders.

Er bestaat niet één GTIN per product, omdat het begrip ‘product’ in de bouwsector diffuser is.

De oplossing: identificatie op basis van batch- en serienummers

De EU heeft dit onderkend. In de nieuwe Construction Products Regulation (EU) 2024/3110⁠, die in november 2024 wordt gepubliceerd en vanaf 2026 stapsgewijs van kracht wordt, is er een apart ‘Construction Products Passport’ (CPP). De identificatie daarvan is gebaseerd op:

  • Producttype (basisidentificatie - bijvoorbeeld het DoP-nummer uit de Declaration of Performance)
  • Partijnummer of productiedatum (variabel)
  • Optioneel serienummer voor individuele stuks

Dit komt overeen met de GS1-logica. GS1 biedt Application Identifiers:

  • 01 - GTIN (indien aanwezig)
  • 10 - partijnummer (BATCH/LOT)
  • 11 - productiedatum
  • 21 - serienummer
  • 8004 - GIAI (Global Individual Asset Identifier) wanneer er geen GTIN wordt bijgehouden

Een GS1 Digital Link zoals:

https://id.ihre-firma.com/01/04012345678901/10/2026-W14-A

identificeert een producttype 04012345678901 uit de partij 2026-W14-A. Voor de bouwsector is dit de werkende combinatie.

CPR versus ESPR: twee wetgevingen, één paspoort?

Hier wordt het ingewikkeld. De herziening van de CPR heeft zijn eigen paspoortkader. De ESPR heeft een kader. Beide verwijzen naar elkaar, maar de technische specificaties zijn niet identiek.

Een fabrikant van cementdakpannen valt onder beide: de CPR voor de eigenschappen van bouwproducten, de ESPR voor milieuaspecten zoals recycleerbaarheid.

In de praktijk betekent dit: twee gegevenslagen, beide te vinden onder dezelfde product-ID. Het Common Data Model dat hierachter schuilgaat, is nog in discussie. De EU-werkgroep (CEN/CENELEC JTC 24) werkt eraan om tegen eind 2026 een gemeenschappelijke structuur voor te stellen.

Realistisch gezien: fabrikanten die nu van start gaan, zouden een gegevensstructuur moeten kiezen die uitbreidbaarheid ondersteunt. Een star ‘ESPR-only’-formaat zal later moeten worden aangepast. Een CPP-conform formaat biedt meer dekking.

Wat er precies in de CPP staat

De CPR definieert een uitbreidbare structuur. Het productpaspoort moet minimaal het volgende bevatten:

  • Identificatie van de fabrikant (met een registratie vergelijkbaar met EUDAMED)
  • Producttype en -variant
  • Prestatieverklaring (DoP) volgens de bestaande CPR-regels
  • Milieuproductverklaring (EPD) volgens EN 15804
  • Gebruiks-, installatie- en onderhoudsinstructies
  • Indien nodig: veiligheidsinformatieblad
  • Instructies voor ontmanteling en recycling - nieuw ten opzichte van de oude CPR

De EPD is niet optioneel. De nieuwe CPR maakt er een verplichte vereiste van, in plaats van een vrijwillige aanbeveling. Voor fabrikanten van bouwproducten betekent dit: per relevante productfamilie één EPD-studie, die om de vijf jaar wordt bijgewerkt.

Realistisch stappenplan voor fabrikanten

Toepassingsgegevens van de CPR gefaseerd:

  • 2026: technische secundaire wetgeving - specificatie van de CPP-gegevensvelden
  • 2027/2028: verplichting voor grote productgroepen (cement, staal, isolatie)
  • 2029+: volledige toepassing op alle bouwproducten

Voor de productie betekent dit:

  • 2026 Q2: Controleer welke van uw producten tot de eerste CPP-golf behoren (vermoedelijk bouwmaterialen met een hoog volume)
  • 2026 Q4: Begin met het opstellen van EPD’s, indien deze nog niet beschikbaar zijn
  • 2027 Q1: Consolideer de gegevensverzameling voor CPP - idealiter op een platform dat zowel CPP als ESPR-DPP kan weergeven
  • 2027 Q4: Proefimplementatie voor de eerste productfamilie, parallel aan het opstellen van de DoP

Praktisch: wat als uw product niet aan een standaard voldoet?

Er zijn bouwproducten die in geen enkel hokje passen. Op maat gemaakte stalen trappen, op maat gesneden speciale glaselementen, beton met speciale toeslagstoffen voor bijzondere bouwwerken. Hier zijn twee pragmatische manieren mogelijk:

  1. Projectpaspoort: De volledige levering voor een bouwproject wordt als één paspoort behandeld. Niet elk afzonderlijk onderdeel krijgt een eigen QR-code. Dit werkt als de installateur het totale project documenteert.
  2. Met laser gegraveerde partij-ID: elk fysiek product is voorzien van een permanente ID (gelaserd, geëtst). De paspoort-resolver koppelt de ID aan de partijgegevens.

Welke aanpak de juiste is, hangt af van het scenario voor hergebruik. Voor recyclingbedrijven in het jaar 2065 is optie 2 belangrijker - de infrastructuur voor ‘projectpaspoorten’ zal het waarschijnlijk niet volhouden.

CPR en DPP voor bouwproducten

Wij volgen de secundaire wetgeving inzake CPR op de voet en sturen u maandelijks updates.